logo1
kabeljauw

Close-Up

test1 test2 test3 test1 test2 test3 test3

De historische haven van Den Oever

De visserij op Wieringen
Over de visserij op Wieringen, en Den Oever in het bijzonder vóór 1850 zijn we slecht ingelicht. Uit veel oude documenten is op te maken dat Wieringen in hoofdzaak een landbouwgebied was. Volgens de burgerlijke stand voor 1850 waren in veel gevallen de zoons matroos of visserman en de vaders boer. Naar alle waarschijnlijkheid hebben deze zoons zich later op de boerderij gevestigd, en werden de bijverdienste gezocht op zee. De oudste gegevens over de visserij en zeevaart op Wieringen vinden we in een geschrift uit 1368; '…angaende die neringen zeggen dat die een helft van heure volke hem generen met vogelen ende vissen, ende danser meter ploeg, doende lentneringhe: oock eenighe van hemluyden varen ter zee, ten hoeck, ten harinck ende koopvaert ende dat als huyrluyden omme hare loon, ende niet als hebbende eenige schepen…' Gezien de ligging van het eiland zal in de vroege middeleeuwen zowel visserij als zeevaart belangrijk voor Wieringen zijn geweest. In welke mate daar is niets over terug te vinden. Voor Den Oever is de tijd van de verzanding van de Amsterdamse havens in ieder geval zeer belangrijk geweest. Velen verdienden er hun brood als schipper of knecht op de lichterschepen. Ook hierover zijn de gegevens schaars.

De toestand in de visserij op Wieringen na 1850 is uitvoerig beschreven. Deze is in de jaren enorm toegenomen en omstreeks 1900 waren inkomsten uit de visserij belangrijker dan die uit de landbouw, terwijl rond 1850 het omgekeerde nog het geval was. In 1866 waren er slechts 69 haringschuiten, in 1900 telde de vloot 77 haringschuiten, 49 aken, 27 vletten, 26 blazers en 2 visschuiten. Deze groei was vooral mogelijk door de wijze van krediet geven: dit geschiedde meest door de familie, zodat afbetaling in de regel soepel verliep. Manen was nooit nodig; de aflossing beschouwde men als zijn plicht.

Door de veelzijdigheid van het vissersbedrijf en de mogelijkheid van bijverdienste waren de vissers, hoe hard ze ook moesten werken, in zekere zin welvarend. In de eerste plaats hielden ze ook vaak eendenboerderijen. Het visafval leverde goedkoop voer voor deze vogels. In de tweede plaats was er de belangrijke wiermaaierij en wiervisserij. En tenslotte boden de ondiepten rond het eiland de mogelijkheid op het vissen van oesters, mosselen, alikruiken enz. de mogelijkheden die bijvoorbeeld op Marken en Urk geheel ontbraken. Misschien was hierdoor ook de behoefte om op de Noordzee te gaan varen gering. Dit deden uitsluitend een klein aantal vissers uit Den Oever met hun botters en blazers.

Rond 1900 en later was het meest gebruikte soort schip, de Wieringer aak, daarvoor de 'heringskuut', de voorloper van de blazer en de botter. De botters werden alleen op de Noordzee gebruikt. Voor 1850 voer men ook nog met spriete of sprietskuutjes. In de volksmond vaak 'belles van skuutjes' genoemd (heel kleine schuitjes).
Vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw worden er uitsluitend ijzeren schepen gebouwd, vooral de klipper en de spekbak of het fárreke. De eerste wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de mosselvangst. Geen van deze schepen werd op het eiland zelf gebouwd. Er was wel een helling, maar deze diende uitsluitend voor reparatie. De schepen kwamen van Workum, Makkum en Terschelling. De latere ijzeren schepen werden veelal in Enkhuizen gebouwd.

In 1900 werd in Den Oever een nieuwe haven aangelegd. Voor die tijd was er aan de noordzijde van het dorp alleen het Noorderhoofd en een kleine vissershaven aan de zuidzijde van het dorp, het zogenaamde Nauwelangd, waar ook de helling was gebouwd. Op twee plaatsen in de dijk wordt een 'kepure' gemaakt, een opening waardoor men toegang heeft tot de haven en die bij hoogwater afgesloten wordt. Als dit nagelaten zou worden zou het water naar het 'lège engd' stromen, het lage gedeelte van de Hofstraat bij de Noorderweg. Nabij de Oeverse kapel (nu te bewonderen in Enkhuizen) stonden ook de waag en de beurs, een houten half open loods waar de vissers op vrijdag samenkwamen en met elkaar de week doorspraken.

In 1949 krijgt de haven van Den Oever de beschikking over een nieuwe afslag.